Marit & Friends

Marit & Friends

Zondag 13 oktober 2019
20:15 uur

Stadhuis Oudewater

Al voor de derde keer is Marit Vliegenthart muzikaal leider van het Kamermuziekfestival Oudewater. En ook al voor de derde keer neemt zij het slotconcert voor rekening samen met enkele van haar muzikale vrienden.

Prijs € 17,50

Programma

Johannes Brahms (1833–1897)

Strijkkwintet no. 2 op. 111 in G groot (1890)

  1. Allegro non troppo ma con brio
  2. Adagio
  3. Un poco allegretto
  4. Vivace ma non troppo presto

PAUZE

Antonín Dvořák (1841–1904)

Strijkkwintet no. 3 op. 97 in Es-groot (1893)

  1. Allegro non tanto
  2. Allegro vivo
  3. Larghetto
  4. Finale: allegro giusto

Inleiding – Het strijkkwintet

Terwijl het strijkkwartet steeds uit twee violen, een altviool en een cello bestaat, heeft een componist bij het strijkkwintet de keuze het midden- of het lage register te versterken (door toevoeging van een altviool of een cello), dan wel het kwartet met een contrabas een hecht en donker fundament te geven. Luigi Boccherini (1743–1805) componeerde als eerste een hele reeks strijkkwintetten en maakte zo het genre bekend; hij koos voor een tweede cellopartij waarin hij zelf als virtuoos kon schitteren. Ook b. Schubert zet in zijn strijkkwintet een extra cello in. De standaard werd echter de verdubbeling van de altviool, ten dele doordat Mozart en Beethoven strijkkwintetten voor deze bezetting hadden geschreven. Onder meer Brahms en Dvořák volgden hen na, zodat we ook vanavond een ensemble van twee violen, twee altviolen en een cello kunnen beluisteren. In zijn Tweede Strijkkwintet op. 77 (1861) koos Dvořák overigens voor de contrabas in plaats van een tweede altviool.

Johannes Brahms – Strijkkwintet no. 2 op. 111 in G groot (1890)

Tot Brahms uitgebreide kamermuzikale œuvre (zie de introductie onder Zondag 13 oktober, 12:00) behoren twee strijkkwintetten in de al door Mozart en Beethoven geprefereerde bezetting van twee violen, twee altviolen en een violoncello. Het Strijkkwintet no. 2 op. 111 in G groot schreef Brahms in 1890 op instigatie van zijn vriend Joseph Joachim, vermaard violist, vioolpedagoog en ook zelf componist. Toen hij het aan zijn uitgever stuurde, gaf hij hem te verstaan dat dit kwintet zijn laatste opus zou zijn, omdat hij als componist alles had gezegd wat hij te zeggen had. Gelukkig heeft hij geen woord gehouden, waarvoor vooral de klarinettisten hem dankbaar kunnen zijn.

Vergeleken met het eerste kwintet uit 1882 (op. 88 in F groot), dat uit drie delen bestaat, heeft het vierdelige tweede strijkkwintet een monumentaal karakter: het is bijna symfonisch van opzet en heeft een zo dichte stemvoering dat men soms meent de volle klank van een strijkorkest in plaats van vijf spelers te horen. Dat is meteen al bij de eerste maten van het Allegro energico het geval, als de cello een krachtig-optimistisch thema onder de ruisende tertsengolven van de vier hogere instrumenten in de diepte inzet en zich al gauw omhoogwerkt naar een hoger register: een krachttoer, want voor de vier begeleidende strijkers schrijft Brahms nadrukkelijk een forte voor. Dat kwam hem op kritiek van Joachim en Clara Schumann te staan, maar hij vond deze massieve inzet belangrijk genoeg om zich daar niets van aan te trekken. Op dit langademige, zangerige thema wordt ook in de andere stemmen voortgeborduurd, totdat vrijwel zonder overgang het tweede thema in de altviool zijn intrede doet; met zijn kortere zinsbouw en introverte karakter zorgt het voor een opmerkelijk contrast. Daarop volgt nog een oorstrelend, syncopisch geritmiseerd motief in de tweede viool. Deze drie melodieën bepalen in vele mutaties en diverse toonsoorten het verdere verloop van het eerste deel, dat ons net als het derde strijkkwartet (zie boven) Brahms van zijn blijmoedigste kant laat zien.

De overige drie delen zijn minder gewichtig en ook veel korter; hun speelduur neemt progressief af. Alle drie hebben min of meer een Hongaars tintje: een tribuut aan Joachims Hongaarse afkomst en een reminiscentie aan Brahms eerdere werken in dit genre. Het langzame deel, in d klein, heeft een melancholische sfeer: een het eerst door de altviool boven cello-pizzicati voorgedragen melancholische melodie vormt het basismateriaal van dit “wunderbar knappe Adagio” (Joachim), waarin pizzicati en tremoli de klank van de cymbaal oproepen. Met de rustige voordracht van dit elegisch-introverte ‘lied’, dat enige variaties ondergaat, vormt het fortissimo-hoogtepunt kort voor het slot een dramatisch contrast. Uit het tumult maakt zich een altviool los voor een cadens-achtige korte solo, waarna het beginmotief dit deel berustend afsluit. Met zijn tedere, weemoedige atmosfeer sluit Un poco allegretto bij het adagio aan. Het staat in g klein, maar het middendeel licht op met een lieflijke ‘Ländler’ (langzame wals) in G groot. In de finale maken de dromerijen plaats voor robuuste vrolijkheid. Het Vivace ma non troppo presto is een hommage aan de czárdás, die Brahms zo goed kende van de Weense zigeunerkapellen; vooral in de meeslepende coda krijgen de onstuimig stampende ritmen een onvervalst Hongaarse inslag. Maar Brahms zou Brahms niet zijn geweest, als hij deze bevrijdende dans niet had laten voorafgaan door een zorgvuldig geconstrueerde sonatevorm, waarin de czárdás-melodie met een ander thema om de voorrang strijdt: met dat tweede thema opent hij de finale in een duet van de twee altviolen.

Antonín Dvořák, Strijkkwintet no. 3 op. 97 in Es-groot (1893)

Naast de 17 jaar oudere Smetana is Antonín Dvořák (1841–1904) de tweede grote meester van de Tsjechische muziek van de 19de eeuw; in het genre van de kamermuziek overtreft hij met 20 substantiële werken zijn oudere collega, die zich tot twee strijkkwartetten en een pianotrio beperkte. Dvořáks muziek is geliefd om zijn melodische rijkdom, markante (dans)ritmen, frisse natuurlijkheid, warmte en de muzikanteske vreugde die vrijwel uit elke maat spreekt. Hij had grote affiniteit met de Boheemse volksmuziek, die hij met uiterst expressief effect wist in te bedden in de grote traditie van de klassieke en romantische componisten, van Haydn tot Brahms. Met Brahms verbond hem ook een persoonlijke vriendschap; Brahms waardeerde Dvořáks composities en heeft zich actief voor hem ingezet, ook financieel.

Het derde Strijkkwintet op. 97 is uiterlijk en innerlijk verwant met het Strijkkwartet op. 96 en de Symfonie “Uit de nieuwe wereld” op. 95. De drie werken zouden invloed van de Amerikaanse volksmuziek tonen. Ze werden geschreven in de periode dat Dvořák directeur van het National Conservatory in New York was (van 1892 tot 1895); het kwintet schreef hij tijdens een verblijf in Spillville (Iowa) in 1893. Hij kwam er onder de indruk van de uitgestrekte vlakten van het boerenland en had het er zo naar zijn zin, dat hij een jaar voor zijn dood een vriend toevertrouwde dat hij daar wel had willen blijven wonen. Het ‘Amerikaanse’ karakter van het kwintet komt misschien meer tot uitdrukking in zijn pastorale, openhartige, ongekunstelde en onbekommerde karakter dan in details, die volgens sommigen zouden zijn ontleend aan de volksmuziek: melodische lijnen, het vermeend Indiaanse tromritme in het scherzo, of het ritme van het thema van de variaties in het tweede deel, dat zou corresponderen met het ritme van “My country ’t is of Thee”. Geen van deze overeenkomsten zijn heel overtuigend – zeker is dat Dvořáks Boheemse wortels overal minstens zo goed hoorbaar zijn.

Het eerste en het tweede (grappig gepuncteerde) thema van het Allegro non tanto zijn beide gebouwd op een reeks van vijf tonen zonder halve noten. Ook dit kenmerk is vaak toegeschreven aan invloed van de Indiaanse volksmuziek, maar feit is dat Dvořák de pentatoniek ook voor zijn verblijf in Amerika zo frequent toepaste, dat van een muzikale signatuur gesproken kan worden. Hoe dat ook zij: dit markante melodische materiaal verliest ook in de loop van dit deel (gegoten in de ook door Dvořák graag toegepaste sonatevorm) geen moment zijn uitermate vrolijke en vitale karakter, ook niet in enkele passages waar Dvořák in mineur-toonsoorten schrijft. Het puntige en ritmisch amusante scherzo (Allegro vivo) wordt met het zogenaamde Indiaanse trommelritme ingeleid door de tweede altviool, die trouwens door het hele kwintet heen een ongebruikelijk prominente rol krijgt toebedeeld. Het hoofdthema is ook hier weer pentatonisch. Het B groot van begin en einde contrasteert met het b klein van het trio (middendeel), waarin de eerste viool en de eerste altviool met een introverte cantilene tegenspel bieden aan de gepuncteerde dansritmen van de hoekdelen. Het Larghetto opent met twee lange, edele melodieën in contrasterende toonaarden (as klein en As groot): als een sombere overpeinzing en de troost die daarop volgt. De tweede had Dvořák al eerder voor een alternatieve versie van het Amerikaanse volkslied geschreven – een project dat hij nooit voltooide. Het verdere verloop van het langzame deel wordt bepaald door vijf variaties, waarin beide thema’s een rol spelen. In de nobele slotpassage overwint de positieve (As groot) gedachte. In de finale (Allegro giusto), in rondovorm, keren we terug naar het onbekommerde musiceren van het eerste deel; lyrische passages wisselen hier en daar de dansritmen af; tegen het slot wordt de vreugde nog intenser en krijgt het karakter van een overwinningsroes.

Musici

Marit Vliegenthart – viool
Bas Treub – viool
Iteke Wijbenga – altviool
Richard Wolfe – altviool
Anestasia Feruleva  – cello

Marit Vliegenthart – viool, artistiek leider

Marit Vliegenthart, geboren en opgegroeid in Oudewater, woont in Berlijn en is als violiste actief in heel Europa. Marit treedt regelmatig op in kamermuziekformaties en is vast lid van de kamerorkesten Le Concert Olympique in Antwerpen en Metamorphosen in Berlijn. Andere kamerorkesten waar Marit regelmatig in speelt zijn Amsterdam Sinfonietta, het Nederlands Kamerorkest en Kammerakademie Potsdam. Verder speelt ze regelmatig met orkesten als het Koninklijk Concertgebouw Orkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest, het Orkest van de Komische Oper in Berlijn en het Malaysian Symphony Orchestra. In 2018 had Marit een jaarcontract bij de eerste violen van de Deutsche Oper in Berlijn. Marit kreeg haar eerste vioollessen toen ze vijf jaar was. Ze had tien jaar les bij Bouw Lemkes om daarna te gaan studeren aan het Conservatorium van Amsterdam in de klas van Kees Koelmans. In 2003 werd zij toegelaten tot de Manhattan School of Music in New York waar zij vier jaar studeerde bij Yoko Takebe en Michael Gilbert. Hierna vervolgde zij haar studie bij Vera Beths aan het Conservatorium van Amsterdam waar zij in 2012 haar masterdiploma behaalde. Tijdens haar studie nam Marit deel aan prestigieuze festivals en orkesten als het Verbier Music Festival, Tanglewood Music Festival, Gustav Mahler Jugend Orchester, European Union Youth Orchestra, Schleswig-Holstein Musik Festival en was Marit concertmeester van het Nationaal Jeugd Orkest. In 2016 en 2017 was zij artistiek leider van de Kamermuziekdagen Oudewater.

Bas Treub – viool

Bas Treub is een Nederlandse violist. Hij studeerde aan de Koninklijke Conservatoria van Den Haag en Brussel bij Peter Brunt en Philippe Graffin en behaalde zijn masterdiploma summa cum laude in 2013. Momenteel is Bas aanvoerder van de 2e violen in het Nederlands Kamerorkest. Hij heeft als gastconcertmeester gewerkt bij het Philharmonia Orchestra in Londen, het Orpheus Sinfonia en het Gelders Orkest. Als aanvoerder 2e viool werd hij uitgenodigd bij het Scottish Chamber Orchestra, Scottish Ensemble en het Nederlands Philharmonisch Orkest. Als freelance violist speelde hij o.a. bij het Mahler Chamber Orchestra, de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, Spira Mirabilis.

Als enthousiast kamer- en orkestmusicus gaf Bas concerten op internationale festivals en podia, zoals de BBC Proms, Aldeburgh Festival, Edinburgh Festival, Abu Dhabi Festival en Carnegie Hall in New York.

Iteke Wijbenga – altviool

Iteke Wijbenga is een gepassioneerd altvioliste, actief in de kamermuziek, in orkesten en als solist. Ze werkte samen met gerenommeerde musici als Severin von Eckardstein, Reiner Schmidt (Hagen Quartet) en Rick Stotijn en was te gast bij diverse festivals zoals het Aurora Chamber Music Festival (Zweden) en het Peter de Grote Festival. Als lid van het Helios Trio en het Intercontinental Ensemble treedt ze op in zalen zoals het Concertgebouw en het Muziekgebouw aan ’t IJ, neemt ze deel aan festivals als het Grachtenfestival in Amsterdam en het Harmos Festival (Portugal). Sinds 2016 is ze tevens lid van het Residentie Orkest. Iteke voltooide haar Master altviool cum laude aan het Conservatorium van Amsterdam als student van Sven Arne Tepl. Ze begon haar muzikale studie op viool: vanaf haar 12e in de Jong Talent Klas van het Prins Claus Conservatorium bij vioolpedagoog Ilona Sie Dhian Ho. Op jonge leeftijd ontving zij verschillende prijzen, waaronder die van het Prinses Christina Concours, en trad zij als soliste op met jeugdorkesten. Toen zij haar liefde voor de altviool ontdekte, vervolgde zij haar studie op altviool bij Gisella Bergman, Esther van Stralen en later bij Sven Arbe Tepl.

Richard Wolfe – altviool

Richard is geboren en getogen in New York en studeerde bij Dorothy DeLay en Walter Levin, primarius van het LaSalle Kwartet. Na zijn opleiding verbleef hij vijf jaar in Israël, waar hij speelde in het Israëlisch Kamerorkest, en op verzoek van de chef-dirigent Rudolph Barsai overstapte op de altviool. In 1982 verhuisde Richard Wolfe naar Nederland en kort daarop werd hij aangenomen binnen de gelederen van het Nederlands Kamerorkest. In 1986 werd hij benoemd tot solo altviolist en die hoedanigheid vertolkte hij ook regelmatig solistische partijen in concertant repertoire; zo maakte hij recentelijk als tegenspeler van Gordon Nicolic een opname van Mozarts Sinfonia concertante

Naast zijn werkzaamheden als uitvoerend musicus is Richard als hoofdvakdocent altviool verbonden aan de conservatoria van Amsterdam en Utrecht.

Anastasia Feruleva – cello

De Russische celliste Anastasia Feruleva (1992) trad vanaf jonge leeftijd op in haar geboorteland. Haar concertagenda bracht haar naar landen als Noorwegen, Finland, Duitsland, Italië, Frankrijk, België en Nederland, waar momenteel haar basis is. Anastasia behaalde haar Mastergraad met de hoogst mogelijke waardering, n.l. een 10 met onderscheiding aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Larissa Groeneveld. Momenteel studeert Anastasia bij Troels Svane aan de Hochschule für Musik Hanns Eisler in Berlijn. Ze is een geraffineerd en geapprecieerd kamermusicus, veelvuldig uitgenodigd voor samenwerking met verschillende ensembles en volbracht haar studie aan de String Quartet Academy in Amsterdam als lid van het Nairi String Quartet – cum laude – in 2015. In 2016 won Anastasia bij de Amsterdam Cello Biennale de 2de prijs. Als solist trad ze op met werken van Dvorak, Lalo en Vivaldi met orkesten in Nederland en Rusland; zo speelde ze vorig jaar het Eerste Celloconcert van Shostakovich met het VU Kamerorkest. Dit jaar trad ze op met Frank van de Laar in de Noorderkerk in Amsterdam – werken van Ginastera, Prokovief en Martinu. Anastasia is cellist bij het Trio Concorde.