Delta Piano Trio

Delta Piano Trio

Vrijdag 11 oktober 2019
20:15 uur

Stadhuis Oudewater

Het Delta Trio wordt door collega’s beschouwd als één van de meest veelbelovende jonge ensembles en maakte naam met haar pure, compromisloze muzikaliteit, energie en de bereidheid dieper de muziek in te duiken dan vanzelfsprekend is.

Prijs € 17,50

Programma

Joseph Haydn (1732-1809) – Pianotrio in E groot, Hob. XV:28 (1797)

  1. Allegro moderato
  2. Allegretto
  3. Finale: Allegro

Pēteris Vasks (*1946) – Plainscapes (arrangement voor pianotrio (2002/2011)

Pauze

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1947) – Pianotrio in d klein, op. 49 (1839)

  1. Molto allegro ed agitato
  2. Andante con moto tranquillo
  3. Scherzo: Leggiero e vivace
  4. Finale: Allegro assai appassionato

Joseph Haydn – Pianotrio in E groot, Hob. XV:28 (1797)

Leven en werk van Franz Joseph Haydn (1732–1809) zijn nauw verbonden met een van de rijkste families van het Habsburgse rijk van zijn tijd: de Esterházy’s. In 1761 trad hij als vice-kapelmeester in dienst van prins Paul Anton, die een jaar later werd opgevolgd door zijn broer prins Nicolaus. In 1766 werd Haydn diens kapelmeester. Na de dood van prins Nicolaus kon Haydn ingaan op een uitnodiging van de violist en impresario Johann Peter Salomon om in 1791/1792 in Londen te komen werken en concerteren. In die stad, ook toen al een bruisend centrum van muzikale activiteiten, gold hij al jaren als een groot componist. In 1794/1795 woonde en werkte Haydn wederom in Londen. De Londense jaren behoren tot de compositorisch vruchtbaarste en persoonlijk gelukkigste van zijn leven: eindelijk kon hij zich vrij voelen van de adellijk-grillige willekeur en de dwang van de dienstroosters aan het hof van de Esterházy’s – eindelijk werd hij met de lauweren omkranst die hem als muzikaal genie eerder in zijn leven ten deel hadden moeten vallen.

De drie pianotrio’s Hob. XV:27–29 schreef Haydn waarschijnlijk in 1795; ze verschenen in 1797 in Londen met een opdracht aan Therese Bartolozzi, geboren Jansen, de dochter van een bekende dansmeester in Aken. Therese Jansen verwierf in Londen grote faam als pianiste en pianolerares. Evenals de drie pianosonates die Haydn aan haar opdroeg, weerspiegelen deze pianotrio’s haar grote technische vaardigheid.

Van Haydn, een van de productiefste componisten aller tijden, zijn 29 pianotrio’s bekend die zeker van zijn hand zijn, 11 die met grotere en 4 die met geringere waarschijnlijkheid aan hem worden toegeschreven. In de pianotrio’s uit zijn jeugdiger jaren toont Haydn zich een galant causeur, in de late trio’s – op het voor Therese Jansen geschreven drieluik volgde nog maar één ander pianotrio – is hij de briljante gerijpte meester die telkens weer verbluft met zijn onuitputtelijke inventiviteit en originele wendingen.

Daarvan biedt het tweede van de drie Londense pianotrio’s, geschreven in E groot, al bij de eerste inzet een frappant voorbeeld: het allegro moderato opent met een gracieus vloeiende melodie in de piano, een ‘ear-catcher’ door de voorslagen voor elke noot van het hoofdthema: kleine versieringen, die nog worden versterkt door de pizzicati van viool en cello – alsof een zanger zijn aria zelf op de gitaar begeleidt. In een tweede frase herhaalt de piano solo het thema in een hoger register in een meer chromatisch gekleurde variant. Pas daarna barsten alle instrumenten los in energiek samenspel, in wisselende combinaties waarin het hoofdthema een rol blijft spelen naast nieuwe motieven. Snelle toonladderachtige begeleidingsfiguren, afgewisseld met lyrische passages, getuigen van Therese Jansens virtuositeit; ook modulaties zorgen voor kleurrijke contrasten. Het tweede deel, een allegretto in e klein, heeft een heel ander karakter: al bij de eerste maten dringt zich de associatie met Johann Sebastian Bach op. Met zijn rustig in kleine en grote secunden voortschrijdende bas-lijn en de contrapuntische verwerking van diverse melodische thema’s lijkt het op een barokke passacaglia. Dit kleine juweel met al zijn reminiscenties aan Bach zal Haydns tijdgenoten, die zich wiegden in het aangenaam harmonische ‘moderne’ homofone idioom, nog meer hebben verrast dan ons. Eerst klinkt het basthema unisono (in octaven) in alle drie instrumenten, daarna neemt de piano het solo over en laat er een quasi-barokke aria boven klinken. Intussen doorloopt de basso continuo diverse toonsoorten.

“Aangenaam harmonisch” klinkt dan weer de allegro-finale in de eerste maten, waarvan in een aantal variaties steeds andere facetten oplichten – totdat de ‘goedmoedige Papa Haydn’ weer met verrassingen komt: modulaties, en kort daarop een breed uithalende melodie in de viool, die veel ”Sturm und Drang” in zich heeft: Haydn als voorbode van de romantiek. Een serie vrije cadenzen besluit het werk.

Pēteris Vasks – Plainscapes (2002 / 2011)

Pēteris Vasks werd in 1946 in Aizpute (Letland) geboren als zoon van een dominee. Misschien verklaart dit laatste waarom zijn muziek vrijwel steeds een spiritueel-meditatieve inslag heeft. Vasks begon zijn muzikale loopbaan als bassist en ging pas op latere leeftijd componeren. De landschappen en de oude volksmuziek van Letland vormen zijn voornaamste inspiratiebronnen:

Elk van mijn composities verhaalt over het land waarvan ik het meest ter wereld houd: Letland.

Koorwerken behoren tot de kern van zijn œuvre. Ook Plainscapes was in zijn oorspronkelijke versie een koorwerk, maar Vasks koos voor een ongebruikelijke bezetting: een viool en een cello worden begeleid door een 8-stemmig gemengd koor, dat klanken in plaats van woorden ten gehore brengt (vocalise). De componist schreef het werk in 2002 op instigatie van de violist Gidon Kremer. In 2011 bewerkte hij het voor pianotrio, waarbij uiteraard de piano het koor vervangt.

In een interview vertelt Vasks dat het werk zijn indrukken van de “eindeloze laagvlakten van Zemgale” vasthoudt:

Vanuit elke plek kan je de horizon zien. De lage landen zijn eindeloos gevarieerd en mooi in elk jaargetijde, zowel overdag als ’s nachts. De compositie is een lange meditatie, waarin het koor een vocalise-elegie driemaal zingt: schijnbaar hetzelfde, maar in werkelijkheid telkens een beetje anders. Maar die drie segmenten blijken slechts het voorspel te vormen tot het wonder van de wedergeboorte van de natuur. De zon gaat op en vogels zingen verrukt.

Met een sereen en langgerekt thema, dat af ten toe bijna tot stilstand lijkt te komen, evoceert Plainscapes vanaf het eerste begin de vergezichten en de stilte van de Letse vlakten. In de loop van ruim een kwartier komt dit thema vaak terug, maar er zijn ook meer dynamische elementen, vooral in de stemmen van viool en cello. Ook talrijke glissandi zorgen voor afwisseling in sfeer. De menselijke stem imiteert de zang van de vogels. De opkomst van de zon en de wedergeboorte van de natuur zijn duidelijk hoorbaar als climax even voor het slot, dat aanknoopt bij het verstilde begin. In de bewerking voor pianotrio duurt deze climax langer dan in de versie voor koor; daardoor is het trio eerder een zelfstandige compositie dan een transcriptie.

Felix Mendelssohn-Bartholdy – Pianotrio in d klein op. 49 (1839)

Als zoon van een welgestelde Hamburgse, later Berlijnse bankier, zelf zoon van de beroemde filosoof Moses Mendelssohn, kreeg Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) een gedegen en veelzijdige muzikale en algemeen-culturele vorming, waarvoor zijn liefhebbende ouders de beste leraren engageerden. Alles wat naam had in Berlijn en ver daarbuiten (kunstenaars en geleerden op doorreis) bezocht de befaamde ‘Sonntagsmusiken’: een muzikale salon in huize Mendelssohn. In dat warme, van muziek, literatuur en beeldende kunst van heden en verleden doordrenkte klimaat kon Felix’ uitzonderlijk talent zich optimaal ontplooien; ook kwam hij er spontaan in aanraking met de Duitse culturele elite. Op zijn 9de jaar oogstte hij zijn eerste lauweren als pianist, vanaf zijn 11de voerde hij zijn eerste composities uit, ook als dirigent. Daarnaast was hij een even begaafd violist/altviolist en zanger als tekenaar/schilder. Frequente en intensieve (studie)reizen naar Frankrijk, Italië en Engeland brachten hem in contact met talrijke niet-Duitse beroemdheden, onder wie Hector Berlioz en Franz Liszt. Met zijn sprankelende en dromerige Sommernachtstraum-muziek, waarvan hij de ouverture al op 17-jarige leeftijd voltooide, schonk hij de mensheid een van de meest geestverwante Shakespeare-toonzettingen. Drie jaar later (1829) leidde Mendelssohn een spraakmakende uitvoering van de Matthäuspassion, waarmee hij dit grootse werk aan de vergetelheid ontrukte aaraan het sinds Bachs dood ten prooi was gevallen. Een andere mijlpaal was de stichting van het later beroemde conservatorium in Leipzig in 1843, waar hij zijn bewonderaar en vriend Robert Schumann als docent compositie aanstelde.

Mendelssohns vorming als ‘Bildungsbürger’ ging gepaard met een diepe bewondering voor de muziek van componisten uit het (deels verre) verleden: naast Bach voerde hij koorwerken van onder meer Palestrina en Orlando di Lasso uit. In zijn eigen muziek, die alle trekken van de vroege romantiek vertoont, verloochent hij zijn worteling in de traditie van de Weense klassieken (Haydn, Mozart) nooit: met zijn vermogen ‘moderne’ melodiek en harmonie in te bedden in de vaste vormstructuren (vooral de sonatevorm) van zijn directe voorgangers is Mendelssohn de classicist onder de romantici. Op die eigenschap doelde Robert Schumann in zijn veel geciteerde uitspraak:

Mendelssohn is de Mozart van de 19de eeuw, de briljantste musicus [“der hellste Musiker”], die de tegenstellingen van onze tijd het helderst doorziet en als eerste met elkaar verzoent.

Schumann schreef deze woorden naar aanleiding van het Pianotrio in d klein op. 49 (1839), een van Mendelssohns meest geliefde kamermuziekwerken – even hoge ogen gooien het Pianotrio in c klein op. 66 en het Octet voor strijkers op. 20. Bij uitstek romantisch is al meteen het krachtige en gepassioneerde hoofdthema van het eerste deel, dat – met gesyncopeerde begeleiding van de piano – eerst door de cello wordt voorgedragen, door de viool wordt overgenomen en even later ook door de piano verder wordt ontplooid. Dit thema heeft de uitzonderlijke lengte van 39 maten, en kan daarmee zonder meer een gelukkige melodische inval worden genoemd; dat het ondanks zijn interne samenhang, net als het door de cello voorgedragen zachtmoediger tweede thema, in de doorwerking gefragmenteerd wordt en allerlei metamorfosen ondergaat, getuigt dan weer van Mendelssohns klassieke vormgevoel. Na de reprise bekrachtigt een coda nogmaals het hoofdthema. Het tweede deel is een overwegend rustig-wiegend “Lied ohne Worte”, dat in steeds nieuwe variaties en instrumentale kleuringen weerklinkt. Het derde deel is een licht en dansant scherzo, dat onmiddellijk aan de geesten- en elfenmuziek uit de Sommernachtstraum doet denken. Het ritmisch gepuncteerde stuk is kort maar notenrijk en daardoor sprankelend; de vrijwel continu voorgeschreven staccati, spiccati, saltellati en pizzicati zijn de ‘special effects’ die bijdragen aan een sprookjesachtige atmosfeer. Ook in de finale (vierde deel) moeten de instrumentalisten alle krachten bijzetten om alle muzikale draden tot een complex weefsel samen te voegen; er zijn drie thema’s in verschillende toonsoorten, waarvan de eerste twee het ritmische motief van het scherzo opnemen en het derde met zijn lyrisch karakter aan het andante aanknoopt. In een magistrale coda keert het hoofdthema uit het eerste deel emfatisch terug, nu gekleed in een triomfantelijk D groot.

Teksten: Rolf Tybout

Musici

Gerard Spronk – viool
Irene Enzlin – cello
Vera Kooper – piano

Het Delta Piano Trio werd in 2013 in Salzburg (Oostenrijk) opgericht door drie jonge Nederlandse musici: violist Gerard Spronk, celliste Irene Enzlin en pianist Vera Kooper. Het trio wordt door kenners beschouwd als één van de meest veelbelovende jonge ensembles. Onlangs werd een tweejarige gespecialiseerde Master Kamermuziek afgerond aan de Musikakademie Basel bij Anton Kernjak en Rainer Schmidt (Hagen Quartet).

Het Trio is meervoudig eerste prijswinnaar van concoursen, onder meer van het Orlando Internationaal Kamermuziekconcours in Nederland (2015) en het Orpheus Kamermuziekconcours in Zwitserland (2017). Het trio trad veelvuldig op in Europa, in Rusland, Israël, China, Korea, Indonesië en de Verenigde Staten.

Het trio valt op door de persoonlijke klank, toewijding en jeugdig enthousiasme. Het benadert kamermuziek als een vorm van communicatie, een constant uitwisseling van ideeën en een gedeelde weg van reflectie, ontdekking en evolutie. Zij zijn altijd op zoek naar nieuw repertoire.

Het trio bestaat uit:

Gerard Spronk – viool

Gerard begon zijn vioolstudie bij Coosje Wijzenbeek en sloot zijn bachelorstudie in 2013 af bij violiste Vera Beths aan het Amsterdams Conservatorium. Hij volgde een masterstudie aan de Universität Mozarteum Salzburg in de vioolklas van Pierre Amoyal en haalde nog een tweede masterdiploma bij Amdreas Janke in Zürich.

Hij won prijzen op concoursen zoals de Iordens Viooldagen, het Davina van Wely Vioolconcours en het Prinses Christina Concours.

Inmiddels heft hij een internationale carrière met optredens in de grote concertzalen van Nederland en in vele steden van Europa, Azië en de Verenigde Staten.

Irene Enzlin – cello

Irene werd op 15-jarige leeftijd toegelaten tot de legendarische Yehudi Menuhin School in Engeland, waar zij studeerde bij Pierre Domenge en Charles Watt. Vervolgens ging zij naar Salzburg om aan de Universität Mozarteum bij Clemens Hagen (Hagen Quartet) te studeren, een studie die zij in de zomer van 2015 met onderscheiding afsloot. Daarna studeerde zij aan het Conservatoire National Supérieur de Paris bij Raphael Pidoux voor haar mastertitel. Onlangs deed zij haar Konzertexamen in Bern.

Irene is laureate van verschillende concoursen, onder meer het Prinses Christina Concours en het Herman Krebbers Viool en Cello Concours.

Zij kan al terugblikken op een indrukwekkend begin van haar carriére. In 2005 werd zij benoemd tot “Jong Muziektalent van het Jaar”. Zij trad op als soliste met o.a. The Royal Philharmonic Orchestra, het Pro Arte Orchestra en het Nederlands Symfonie Orkest.

Als uitnodigend en zoekend musicus met een sterk maatschappelijk bewustzijn is Irene op zoek naar nieuwe mogelijkheden om klassieke muziuek uit te voeren en met anderen te delen.

Vera Kooper – piano

Vera studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Kamilla Bystrova en David Kuyken, aan de Universität Mozarteum in Salzburg bij Georg Kern en aan de Accademia Santa Cecilia In Bergamo met Konstantin Bogino.

Al jaren treedt zij als solist en in kamermuziekverband op in geheel Europa en ook in Israël. Zi gaf concerten tijdens het Grachtenfestival Amsterdam, het Peter de Grote Festival en de International Holland Music Sessions. In het buitenland trad zij op op festivals als Musica Mundi Chamber Music Festival (Belgie2), de Dartington Summer School (Engeland) en het Aurora Chamber Music Festival (Zweden). Ook won ze meerdere prijzen, onder andere bij de het Prinses Christina Concours en de International Steinway Competition.

Zij wordt beschreven als een sensitief en expressief musicus, met een indrukwekkende techniek en een gepassioneerde toewijding.

Een voorproefje….