Berlage Saxophone Quartet

Berlage Saxophone Quartet

Zaterdag 12 oktober 2019
Wandelconcert

14:00 uur St. Franciscuskerk, Oudewater
14:45 uur Grote of St. Michaëlskerk, Oudewater
15:30 uur Arco Architecten, Oudewater

Wandel mee met het Berlage Saxophone Quartet, een ensemble van het allerhoogste niveau. Drie prachtige (korte) concerten op drie prachtige locaties in Oudewater!

Programma

Wandelconcert op drie locaties

St. Franciscuskerk

  1. Johann Sebastian Bach (1685–1756) – Eerste selectie uit: Goldberg Variaties BWV 988 (1740)
  2. Astor Piazzolla (1921–1992) – Milonga del angél en Muerte del angél (1965)

Grote of St. Michaëlskerk

  1. Arvo Pärt (*1935) – Fratres (1977)
  2. Tweede selectie uit: Bach, Goldberg Variaties BWV 988 (1740)

Arco Architecten

  1. Erwin Schulhoff (1894–1942) – Selectie uit: Fünf Stücke für Streichquartett (1923)
  2. George Gershwin (1898–1937) – Rhapsody in Blue (1924)

Alle arrangementen: Berlage Saxophone Quartet

Inleiding – De saxofoon en het saxofoonkwartet

De saxofoon is een messing blaasinstrument met een conische, meestal enkele malen gebogen buis, kleppen en (zoals de klarinet) enkel riet. Het is een relatief jong instrument: het werd vanaf 1840 ontwikkeld door de Belgische instrumentbouwer Adolphe Sax (1814–1894), die er in 1846 een patent op kreeg. Hem ‘zweefde voor oren’ de kracht van het koper te paren aan het mildere timbre en de souplesse van de houten blaasinstrumenten. Sax zelf ontwikkelde al saxofoons in diverse stemmingen en registers (sopraan, alt, tenor, bariton, bas) en in de loop van de tijd ontstond een nog wijder vertakte ‘saxofoonfamilie’, met instrumenten van het hoogste tot het laagste register die zich net als bij de strijkersfamilie elk door een eigen klankkleur onderscheiden.

Hoewel Hector Berlioz (1803–1869) al van de saxofoonklank gecharmeerd was en andere Franse componisten er ook snel gebruik van maakten (bijvoorbeeld George Bizet in zijn twee Suites L’Arlesienne; 1872/1879), duurde het tot de vroege 20ste eeuw tot het instrument met enige regelmaat in orkestwerken werd voorgeschreven, meestal in solo-passages; zo onder meer door Rachmaninov, Ravel, Gershwin, Hindemith, Milhaud en Vaughan Williams. Andere componisten schreven soloconcerten of kamermuziek voor de saxofoon. Een pionier op beide terreinen was in zijn laatste levensjaren Alexander Glazunov (1865–1936), wiens Saxofoonkwartet op. 109 (1932) en Concert voor altsaxofoon en strijkorkest (1934) andere klassieke componisten hebben gestimuleerd ook voor het instrument te schrijven. Toch is de saxofoon nooit als vast instrument in het symfonieorkest opgenomen. Zijn grote verbreiding vond plaats in andere ensembles: in de militaire kapel, de harmonie en de fanfare, en vooral in de jazz-, dans- en amusementsorkesten die in de jaren twintig opkwamen. Daarmee leent dit veelzijdige instrument zich bij uitstek als bruggenbouwer tussen de muzikale genres (‘cross-over’) – wat ook verklaart waarom het vandaag de dag bijzonder geliefd is.

In de kamermuziek neemt het saxofoonkwartet een eigen plaats in (reguliere bezetting: sopraan-, alt-, tenor- en baritonsax). Al in de jaren dertig waren er beroemde kwartetten, zoals het Quatuor de Saxophones de Paris, waarvoor Glazunov en veel anderen nieuw werk componeerden. Maar pas in de loop van de laatste 30 jaar vond een doorbraak plaats; veel saxofonisten sloten zich aaneen tot een kwartet, en maakten als ensemble furore. Hun aantal steekt dat van de strijkkwartetten nog niet naar de kroon, maar het loopt inmiddels in de tientallen. In Nederland was en is Arno Bornkamp als solist en met zijn Aureliakwartet een groot pleitbezorger, pionier en inmiddels nestor van de saxofoonwereld.

Anders dan bijvoorbeeld strijkkwartetten, kan een saxofoonkwartet niet teruggrijpen op een breed repertoire aan oorspronkelijk voor deze formatie gecomponeerde werken. Een saxofoonkwartet is dus heel vaak aangewezen op bewerkingen, van eigen of andere hand. De brede inzetbaarheid van het instrument maakt dat stukken uit heel uiteenlopende muziekgenres worden gearrangeerd. Saxofoonkwartetten treden dan ook met zeer divers repertoire voor het voetlicht, en ze kunnen nogal eens nieuw licht werpen op lang bekend werk. Ook heeft de opkomst van het saxofoonkwartet een groot aantal hedendaagse componisten verleid tot het schrijven voor zo’n ensemble, al dan niet in opdracht. De vijf stukken die het Berlage Saxophone Quartet voor het wandelconcert koos en zelf arrangeerde, weerspiegelen die veelzijdigheid: een bonte parade aan sferen en stemmingen trekt aan ons voorbij, die ons van de barok naar onze eigen tijd meeneemt en ook nog eens tussen mystiek en amusement laveert.

Van Bach tot Pärt

De Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach (1685–1756) deelt men gewoonlijk bij de ‘ernstige muziek’ in, al hebben ze nog zoveel speelse kanten. Bach schreef het werk in 1740 voor klavecimbel (met twee manualen), maar het wordt zeker zo vaak op de piano uitgevoerd. Het gaat om een thema (‘aria’, een sarabande), dat wordt gevolgd door 30 variaties; daarop wordt de aria herhaald. Elke derde variatie is een driestemmige canon, behalve de dertigste waarin Bach twee in zijn tijd populaire liedjes verwerkte. Er zijn dus negen canons, en bij elke canon neemt het interval met één toonafstand toe: van prime (“canone all’unisuono”) tot none (“canone alla nona”). Deze en andere kenmerken van een strenge structuur hebben tot de veronderstelling geleid dat Bach getalssymboliek zou hebben toegepast om hiermee op zijn religieuze inspiratie (onder meer de Heilige Drie-Eenheid) te zinspelen, maar zulke theorieën zijn onbewijsbaar en voor de meeste Bach-onderzoekers en -liefhebbers gelden de Goldbergvariaties als een wereldlijk werk. Op het titelblad van de eerste druk heette de cyclus een “Klavieroefening, bestaande uit een aria met verscheidene veranderingen voor klavecimbel met 2 manualen, gecomponeerd voor de liefhebbers ter verstrooiing van hun gemoed door Johann Sebastian Bach”. Zijn huidige naam ontleent het werk aan een anekdote, die door de vroege Bachbiograaf Forkel in 1802 in de wereld is gebracht: de klavecinist Johann Gottlieb Goldberg (1727–1756) zou de variaties hebben gespeeld als zijn werkgever, de diplomaat graaf Hermann Carl von Keyserlingk, de slaap niet kon vatten; de graaf zou Bach ook tot de compositie hebben aangezet en hem met een gouden beker, gevuld met 100 Louis d’Or hebben beloond. De historische authenticiteit van dit fraaie verhaal is meer dan aanvechtbaar. De speelduur van deze monumentale compositie, waarin Bach alle finesses van zijn contrapuntisch kunnen laat horen, is ongeveer 80 minuten als alle herhalingen worden gerespecteerd. Vandaag horen we twee selecties in een eigen arrangement van het Berlage Quartet.

Met de overige componisten maken we een sprong naar de twintigste eeuw. Hun geboortejaren vallen tussen 1894 en 1935, en een van hen (Arvo Pärt) is tot de dag van vandaag actief als componist.

De componist en pianist Erwin Schulhoff (1894–1942) werd geboren uit Duits-joodse ouders in Praag. In de jaren twintig ontwikkelde hij een geheel eigen, dynamische en contrastrijke muziekstijl waarin zeer heterogene elementen samenvloeiden: moderne symfonische muziek, jazz, dansmuziek, neobarok, slavische en joodse volksmuziek. Schulhoff was ook thuis in de wereld van de expressionisten en Dada; net als zij en net als zijn collega-componisten Paul Hindemith en Kurt Weill hield hij ervan zijn publiek af en toe flink te provoceren – bijvoorbeeld met een Sonata erotica voor vrouwenstem solo, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. In de jaren dertig componeerde hij naast symfonieën enige groots opgezette werken waarin hij zijn politieke (communistische) overtuiging tot uitdrukking bracht. Deze omstandigheid en zijn joodse afkomst verhinderden hem zich als componist in Duitsland te manifesteren en daar als pianist op te treden nadat Hitler in 1933 aan de macht kwam. Na moeizame jaren werd hij een dag na de Duitse inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 in Praag gearresteerd, niet als Jood maar als – inmiddels – Sovjet-staatsburger; een jaar later stierf hij in een interneringskamp aan tuberculose. Pas toen in het laatste decennium van de vorige eeuw een brede belangstelling voor ‘entartete Kunst’ opkwam, kregen zijn van grote originaliteit getuigende composities de aandacht die ze verdienen. De Fünf Stücke für Streichquartett (1923), opgedragen aan Darius Milhaud, zijn vijf licht parodiërende sfeerschetsen van (dans)muziek: achtereenvolgens passeren de Weense wals, de serenade, de Tsjechische volksmuziek, de tango milonga (zie beneden onder ‘Astor Piazzolla’) en de tarantella de revue. Schulhoff kleedt al die genres in een modernistisch jasje en drijft hun typische kenmerken op de spits. Het zijn vijf onderhoudende miniaturen, waarin het verwachtingspatroon van de toehoorder herhaaldelijk wordt doorbroken, zo bijvoorbeeld als in de serenade schurende dissonanten botsen met het zoetgevooisde hoofdthema. In al hun bondigheid zijn deze vijf karakterstukken de perfecte illustratie van Schulhoffs uitspraak:

Muziek moet in de eerste plaats door ritme lichamelijk welbehagen, ja zelfs extase, voortbrengen, ze is nooit filosofie.

Niet minder dan Schulhoff was de Amerikaan George Gershwin (1898–1937) een grensverlegger: in zijn bekendste werken (Rhapsody in Blue, 1924; An American in Paris, 1928; Porgy and Bess, 1935) integreert hij de traditionele klassieke muziek succesvol met jazzelementen. Hij was begonnen als componist van populaire liedjes, en verwierf daarna grote bekendheid met een aantal uiterst succesvolle musicals die hij voor Broadway schreef. In zijn streven als ‘klassieke componist’ serieus te worden genomen, was Gershwin ondanks waardering van onder meer Ravel minder gelukkig; pas na zijn vroege dood ten gevolge van een hersentumor gingen zijn werken geleidelijk tot het standaardrepertoire van de symfonieorkesten en operagezelschappen behoren. De Rhapsody in Blue werd in zijn originele versie geschreven voor piano en jazzorkest (aangevuld met strijkers), en wel voor de beroemde bandleader Paul Whiteman. Onder diens leiding ging het werk in 1924 in de Aeolian Hall in New York in première. Later bewerkte Ferde Grofé de Rhapsody voor piano en symfonieorkest; het aansprekende stuk, alleen al door zijn openingsmaat met ‘jankend’ klarinetglissando beroemd geworden, werd talloze malen voor allerlei andere bezettingen gearrangeerd.

De Argentijnse componist, bandeonist en dirigent Astor Piazzolla (1921–1992) vergeleek zichzelf graag met Gerswhin: wat die laatste voor de jazz had gedaan, deed hij voor de tango. Hij maakte de tangomuziek, van huis uit dans- en amusementsmuziek, rijp voor de concertzaal, waarbij de grenzen met de klassieke muziek (kamermuziek) vloeiend zijn. Piazzolla had dan ook naast zijn werk als bandoneonspeler en leider van diverse tango-orkesten een gedegen klassieke opleiding gehad, onder meer bij zijn landgenoot Alberto Ginastera en in 1954 in Parijs bij Nadia Boulanger. Die laatste drong er bij haar leerling, die zich vooral in de klassieke richting wilde ontplooien, op aan zijn ‘populaire’ wortels niet te verloochenen. Zonder dit profetische advies was Piazzolla niet de invloedrijke tangogrootmeester geworden, wiens talrijke composities door wereldberoemde interpreten van kamermuziek graag worden gespeeld en op CD vastgelegd. Vooral de laatste twee decennia heeft Piazzolla bij muziekliefhebbers van diverse pluimage een ware cultstatus gekregen. Minder bekend is, dat Piazzolla als componist behalve op het terrein van de door hem geschapen ‘tango nuevo’ ook op dat van de klassieke muziek actief is gebleven; ook schreef hij de muziek voor meer dan 60 films. De tango is een langzame dans, die veel stromingen en varianten kent; de dans lijkt op een Weense wals (met een langzame inleiding en een snel deel), maar is ritmisch veel markanter en van stemming melancholischer. De Milonga del angél en de Muerte del angél behoren tot een reeks ‘engel-stukken’ die Piazzolla in 1965 voor het toneelstuk El tango del angél van Rodríguez Muñoz componeerde. Tegelijk zijn ze met hun lieflijker karakter een tegenhanger van de gepeperde ‘duivel-tango’s’ die hij eveneens in de jaren zestig schreef. De milonga is een vrolijke en snelle voorloper van de tango. In tegenstelling met wat men zou verwachten is de ‘Dood van de engel’ een uitgelaten dansje: de engel verlaat ons vederlicht en in een adembenemend tempo.

Een wereldwijde cultstatus geniet vandaag de dag ook Arvo Pärt, die in 1935 in Paide (Estland) werd geboren, in 1980 naar het westen emigreerde en sinds 1981 in Berlijn woont. Aanvankelijk oriënteerde hij zich zonder veel succes op vroeg-moderne componisten als Sjostakovitsj, Prokofjev en Bartók, daarna op de westerse avant-garde, wat in het toendertijd tot de Sovjet-Unie behorende Estland niet werd gewaardeerd. Na een persoonlijke crisis, die uitmondde in zijn toetreding tot de Russisch-orthodoxe kerk, legde hij zich toe op de studie van het gregoriaans en de Renaissance-muziek. Vanaf 1975/1976 ontwikkelde hij de stijl die hem beroemd maakte en die hij zelf de ‘tintinnabuli’ (= klokken) stijl noemt. Door alles weg te laten wat hij niet essentieel acht, creëert Pärt een nieuwe, uitermate sobere muzikale taal, die wel een vaste systematiek kent: onder iedere toon van de melodie wordt een toon van een (niet veranderende) drieklank gezet. Slepende tempi, simpele akkoorden, contrastarmoede en repetitieve patronen met kleine varianten resulteren in een verstilde muziek, die in een hectische wereld door velen als uitdrukking van diep geloof, spiritualiteit en mystiek wordt ervaren. De vakpers reageerde terughoudender, wat niet heeft belet dat Pärt talrijke prijzen, eredoctoraten en erelidmaatschappen ten deel vielen. Ook onderhoudt hij goede betrekkingen met het Vaticaan: in 2011 benoemde paus Benedictus XVI hem tot lid van de Pauselijke Raad van Cultuur, en in 2017 kreeg hij de naar deze paus vernoemde Joseph Ratzinger-prijs, die normaal alleen aan theologen wordt toegekend. Fratres behoort tot Pärts eerste composities in zijn nieuwe stijl (1977). De oorspronkelijke zetting voor strijkkwintet en blaaskwintet is inmiddels maar een van de talloze versies, die deels door Pärt zelf, deels door anderen werden gearrangeerd (die laatste al of niet door de componist geautoriseerd). Sommige van die versies wijken van het statisch-plechtige origineel af met virtuoze omspelingen van het hoofdthema voor een solo-instrument. Fratres heeft slechts één thema, een driestemmig hymnisch motief dat negen keer wordt herhaald, steeds een terts lager, boven een constant aangehouden orgelpunt. Voor de titel (‘Broeders’) zijn uiteenlopende verklaringen aangevoerd: zo zou die kunnen slaan op Pärts waardering voor zijn vakbroeder Benjamin Britten, die in 1976 overleed en in wie hij een geestverwant meende te herkennen, of op het systeem van vaste verwantschap tussen melodie en drieklank-harmonie (‘tintinnabuli’) dat hij hanteert.

Teksten: Rolf Tybout

Musici

Lars Niederstrasser – sopraansaxofoon
Peter Vigh – altsaxofoon
Juani Palop Tecles – tenorsaxofoon
Eva van Grinsven – baritonsaxofoon

Berlage Saxophone Quartet

In het Berlage Blok, een blok studentenwoningen van het Conservatorium van Amsterdam, werd in september 2008 door vier enthousiaste saxofonisten het Berlage Saxophone Quartet opgericht. Alle vier hadden zij gestudeerd bij Arno Bornkamp, die het jonge kwartet ook coachte. Zij volgden masterclasses in ensemblespel bij leden van het Alban Berg Quartet en het Belcea Quartet. De jonge musici maakten al snel naam en wonnen meerdere prijzen bij concoursen in binnen- en buitenland. Onder meer werden zij in 2011 laureaat bij de Deutsche Musikwettbewerb in Berlijn en werden zij in 2013 winnaar van de prestigieuze  Dutch Classical Talent Award 2013 (jury- en publieksprijs). In 2015 wonnen zij de Kersjes Prijs voor kamermuziek in het Concertgebouw in Amsterdam. “De vier uitstekende musici hebben zich sinds 2008 ontwikkeld tot een ensemble van het allerhoogste niveau”, aldus het juryrapport. Ter verdieping van hun ambacht besloot het kwartet om in 2015 bij het Artemis Quartet te gaan studeren aan de Universität der Kunste te Berlijn. Een post-graduate opleiding die zij met onderscheiding afsloten. Het kwartet treedt veelvuldig op in de grote concertzalen in Nederland en elders in Europa. De kwaliteit komt onder meer tot uiting in de creatieve concertprogramma’s en de eigen arrangementen.

Lars Niederstrasser – sopraansaxofoon

Lars studeerde saxofoon bij Arno Bornkamp aan het Conservatorium in Amsterdam en via een Erasmus-uitwisseling aan het Conservatoire Nationale Supérieure de Paris bij Claude Delangle. In 2004 debuteerde hij als solist met het saxofoonconcert van Glazunov met de Bochumer Symphoniker. Verder soleerde hij in werken van Tomasi, Milhaud, Waxman en Glass onder andere met het Braunschweiger Staatsorchester en de NDR Radiophilharmonie. Van 2007 tot 2011 speelde hij in het Schleswig Holstein Festival Orchestra onder leiding van Ivan Fischer en Christoph Eschenbach. Hij had tournees door heel Europa, in Japan en de Verenigde Staten en maakte radio-opnames bij ondere Radio 5, Deutschlandfunk en de ORF Oostenrijk.

Peter Vigh – altsaxofoon

Peter studeerde saxofoon bij Arno Bornlamp In Amsterdam en bij Jean-Denis Michat in Lyon. Hij voltooide zijn masterstudie saxofoon met de aantekening cum laude vanwege “een sterke eigen visie, solide spel en muzikale lijnen”. Daarnaast studeerde hij compositie bij leermeester Klaas de Vries, Fabio Nieder en Willem Jeths. Al op vijftienjarige leeftijd viel Peter op als componist bij het Nederlands Blazers Ensemble, dat enkele van zijn stukken speelde. Hij is ook de vaste arrangeur van het saxofoonkwartet.

Juani Palop Tecles – tenorsaxofoon

De Spaanse Juani studeerde saxofoon in Castellón, Valencia, Parijs en Amsterdam. In Amsterdam behaalde zij haar masterdiploma met de onderscheiding cum laude in de alom bekende klas van Arno Bornkamp. Als winnaar van verschillende prijzen in Spanje en daarbuiten is zij uitgenodigd om te spelen in landen als Nederland, Frankrijk, Colombia, Rusland, Japan en China. Zij heeft gewerkt met veel orkesten als bij voorbeeld het Madrid Symphony Orchestra en Teatro Real, MusicAeterna en het Radio Filarmonisch Orkest. Juani is erg geïnteresseerd in kamermuziek. Zij heeft meer dan 10 jaar samen met de pianist Carlos Cornelles gespeeld en zij is lid van het Zavasax Saxophone Duo. Sinds 2010 speelt zij in de Barcelona Municipal Band.

Eva van Grinsven – baritonsaxofoon

In 2008 studeerde Eva cum laude af bij mentor en inspiratiebron Arno Bornkamp. In hetzelfde jaar won ze met haar duo Sax & Stix de Vriendenkrans, een prijs verleend door de vereniging Vrienden van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest aan jonge, veelbelovende musici. Met grote speelvreugde, innemende podium présence en een breed palet van klankkleuren wist saxofoniste Eva van Grinsven pers en publiek in de afgelopen jaren keer op keer voor zich te winnen. Binnen haar drukke en veelzijdige uitvoeringspraktijk neemt kamermuziek in diverse bezettingen een centrale plaats in. Daarnaast staan solistische engagementen met onder andere het Doelen Ensemble en optredens met gezelschappen als het Radio Philharmonisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest. Haar passie voor de saxofoonmuziek uit de jaren ´20/´30 leidde tevens tot optredens en CD- opnamen met het Dudok Quartet en het trio Café Dansant. Na een succesvol live-optreden bij Radio 4 in januari 2014 volgde een nieuwe samenwerking met pianiste Helena Basilova. In 2017 ontving zij de prestigieuze Echo Klassik voor haar CD Rendez-vous Russe.

Een voorproefje....