Barbican String Quartet

Barbican String Quartet

Zondag 13 oktober 2019
12:00 uur
Culinair lunchconcert

Muziekhuis Oudewater

De drie prachtige kwartetten die het Barbican String Quartet zal spelen worden afgewisseld met smakelijke gerechten die zijn geïnspireerd op de culinaire voorkeuren en eigenaardigheden van de componisten. Natuurlijk gelardeerd met sappige verhalen!

Prijs € 45,- inclusief driegangen lunch en drankjes

Programma

Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791)

Strijkkwartet in A groot no. 18, KV 464 (1785)

  1. Allegro
  2. Menuetto
  3. Andante
  4. Allegro non troppo

Leoš Janáček (1854–1928)

Strijkkwartet no. 1 ‘Kreutzersonate’ (1923)

  1. Adagio – Con moto
  2. Con moto
  3. Con moto – Vivo – Andante
  4. Con moto – Adagio – Più mosso

PAUZE

Johannes Brahms (1833–1897)

Strijkkwartet no. 3 op. 67 in Bes groot (1875)

  1. Vivace
  2. Andante
  3. Agitato (allegretto non troppo) – Trio – Coda
  4. Poco allegretto con variazioni

Kamermuziek in de keuken!

Johannes Brahms hield van lekker eten en kon flink chagrijnig worden als er iets aan z’n maaltijd mankeerde. Watertandend kon hij uitkijken naar het traditionele verjaardagsdiner dat hem altijd door een goede vriend werd bereid. Wat stond er op het menu?

Tijdens zijn concertreizen langs de Europese hoven prikte de jonge Mozart menig exquis vorkje mee. Maar voor welke gerechten mocht je hem écht midden in de nacht wakker maken? En was Wolfgang nu werkelijk zo’n zoetekauw als de Kugeln doen vermoeden?

Leoš Janáček had een ingewikkeld liefdesleven dat hem overigens inspireerde tot vele fraaie composities. Welke soep deed hem denken aan misschien wel de belangrijkste vrouw in zijn leven?

De drie prachtige kwartetten die het Barbican String Quartet zal spelen worden afgewisseld met smakelijke gerechten die zijn geïnspireerd op de culinaire voorkeuren en eigenaardigheden van de componisten. Natuurlijk gelardeerd met sappige verhalen!

Jim Kort is de kundige en kunstige kok van dienst. Hij wordt geassisteerd door Clary, Fleur, Julia en Herman Stoevelaar die zich in de afgelopen tijd hebben verdiept in het culinaire leven van beroemde en minder beroemde componisten.

Het concert vindt plaats in het prachtige Muziekhuis dat ons gastvrij ter beschikking wordt gesteld door Loes en Sebastian van Zuijlen.

 

Wolfgang Amadeus Mozart, Strijkkwartet in A groot no. 18, KV 464 (1785)

Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791) schreef 23 strijkkwartetten. Daaronder nemen de tussen 1782 en 1785 gecomponeerde zes kwartetten nos. 14-19 (KV 387, 421, 428, 458, 464 en 465) een bijzondere plaats in: Mozart droeg ze op aan zijn oudere vriend Joseph Haydn, wiens Russische Kwartetten op. 33 hem tot voorbeeld hadden gediend. Haydn, die wel de ‘vader van het strijkkwartet’ wordt genoemd, had in deze zes in 1781 geschreven kwartetten het genre de voor eeuwen geldige canonische vormgegeven: vier delen (snelle hoekdelen; daar tussenin een langzaam deel en een scherzo in wisselende volgorde), gelijkwaardigheid van de vier instrumenten en consequente toepassing van de klassieke vormprincipes. In de ‘Haydn-kwartetten’ hield ook Mozart zich aan deze opbouw, maar vulde de vormen uiteraard met zijn eigen unieke en onnavolgbare noten. Mozart was geen vernieuwer; hij hoefde dat ook niet te zijn, want hij was volmaakt in zichzelf. Volgens de componist en pianovirtuoos Ferrucio Busoni (1866–1924), die zichzelf als modern vernieuwer bij uitstek zag, is hij het volmaakte en ronde getal, de uitkomst van de som, een afsluiting en geen begin. Hij is jong als een jongeling en wijs als een grijsaard – nooit verouderd en nooit modern, ten grave gedragen en altijd levend.

De mede door een voorbehoudloze wederzijdse bewondering gedragen vriendschap tussen de twee genieën Haydn en Mozart is een unicum in de muziekgeschiedenis. De uitvoerige opdracht van de zes kwartetten van Mozart aan Haydn, gedateerd 1 september 1785 en naar de conventies in het Italiaans geformuleerd, is daarvan een ontroerend getuigenis:

Aan mijn dierbare vriend Haydn! Een vader die heeft besloten zijn kinderen de wijde wereld in te sturen, moet hen aan de bescherming en leiding van een zeer beroemd man toevertrouwen, die bovendien nog zijn beste vriend is. – Hier, grote man en mijn dierbaarste vriend, zijn mijn kinderen! – Ze zijn waarlijk de vrucht van lang en moeizaam werken. (…) Jij zelf, dierbaarste vriend, hebt je tijdens je laatste verblijf in deze stad tegenover mij tevreden met hen betoond. Vooral deze ondersteuning van jou geeft mij vleugels; daarom beveel ik ze je in jouw welwillendheid aan en hoop slechts, dat ze zich jouw gunst niet onwaardig zullen betonen. Ontvang ze alsjeblieft vriendelijk en wees hun vader, leider en vriend! Vanaf dit ogenblik doe ik afstand van mijn rechten op hen: ik verzoek je alleen die fouten, die het partijdige oog van de vader misschien verborgen blijven, met consideratie te beschouwen en toch je genereuze vriendschap voor hem te bewaren, die deze zo waardeert en met heel zijn hart, geliefde vriend, jouw toegewijde vriend blijft – W. A. Mozart.

Het “lange en moeizame werk” (“lunga, e laboriosa fatica”) is aan het notenhandschrift af te lezen: geen van Mozarts manuscripten laat zoveel verbeteringen zien als dit. Aan het klinkende eindresultaat doen deze inspanningen niets af: de zes kwartetten behoren tot de sprankelendste werken die Mozart heeft geschreven. Ze ontstonden tussen het werk aan Die Entführung aus dem Serail (1782) en Le Nozze di Figaro (1785/1786) in, en bevatten net als die twee grote opera’s een aantal weergaloze melodieën.

Ook het Strijkkwartet KV 464 is een doorwrocht werk: in alle delen streeft Mozart naar polyfonie, en weeft hij een ingewikkeld web van betrekkingen van stem tot stem, echo’s, omkeringen, en allerlei contrapuntische finesses. Daarbij gebruikt hij een beperkt aantal thema’s. Zo is het Menuetto op twee korte motieven gebouwd, terwijl de finale (Allegro non troppo) zelfs monothematisch is. Ondanks de kunstige techniek verliest de muziek geen moment zijn natuurlijk vloeiende en opgewekte karakter. Dat geldt ook voor het Andante, ondanks enkele passages in mineur; in de variaties blijft de vrolijke grondstemming steeds gehandhaafd. Ze lopen uit op een coda waarin een grappig trommel-effect opvalt; daaraan ontleent dit kwartet zijn bijnaam “De Trommel”.

 Leoš Janáček – Strijkkwartet no. 1 ‘Kreutzersonate’ (1923)

Evenals Smetana en Dvořák profileerde Leoš Janáček (1854–1928) zich bewust als een Slavisch componist. Maar Janáček neemt in de Tsjechische muziek (en trouwens in de muziek van de vroege 20ste eeuw in het algemeen) een geheel eigen plaats in doordat hij consequent naar nieuwe mogelijkheden zocht zich uit te drukken; daarbij ontwikkelde hij in zijn latere jaren, toen hij zijn belangrijkste werken schreef, een onmiddellijk herkenbare persoonlijke stijl. Janáček was ook muziektheoreticus, met speciale belangstelling voor de relatie tussen taal (spraak- en zinsmelodie) en muziek, een onderwerp waarover hij veel publiceerde. Dit bracht hem ertoe eigenschappen van de spreektaal in muziek te vatten. Wie met die kennis naar zijn muziek luistert, krijgt inderdaad vaak de indruk een gesprek te horen – tussen mensen die elk een duidelijk eigen geluid hebben, en het soms helemaal niet met elkaar eens zijn. Met andere woorden: in zijn meest karakteristieke werken bouwt Janáček zijn muzikale betoog op uit korte episodes (‘zinnen’), die sterk met elkaar contrasteren. Dit structuurprincipe bracht hem in conflict met de traditionele vormleer; hij wees die niet af, maar bepleitte een vrije omgang met bijvoorbeeld de sonate-, rondo- of variatievorm. De contrasten tussen de opeenvolgende ‘blokjes’ muziek creëerde hij door duidelijk van elkaar verschillende toonsoorten, harmonische constellaties, ritmen en/of klankkleur met elkaar te laten botsen. Daarbij blijft hij binnen het tonale spectrum, maar schuwt harde dissonanten niet. Ook het frequent herhalen van korte, jachtige melodische of ritmische figuren draagt bij aan intense expressiviteit. Dat alles maakt zijn muziek uitermate plastisch, dramatisch en kleurrijk, maar ook fragmentarisch. Het beste komt zijn stijl tot zijn recht in het muziekgenre waarin daadwerkelijk gesprekken plaats vinden: de opera. Janáček schreef er negen, waarvan Katja Kabanova, Het sluwe vosje, De zaak Makropoulos en Uit een dodenhuis, alle geschreven in zijn laatste levensjaren (1920–1928), immens populair werden.

Ook Janáčeks twee strijkkwartetten behoren tot die periode. Het Strijkkwartet no. 1 schreef hij in 1923. Het heeft de bijnaam ‘Kreutzersonate’, naar de gelijknamige novelle van Tolstoj (waarin Beethovens Vioolsonate no. 9, bekend als de ‘Kreutzersonate’ naar de violist Rudolphe Kreutzer, aan wie het stuk is opgedragen, een rol speelt). Het kwartet is geen programmamuziek in de zin dat Janáček het verhaal van Tolstoj op de voet volgt, maar het ademt de gekwelde, dramatische sfeer daarvan: van een vrouw die, opgesloten in een liefdeloos huwelijk, passie opvat voor de violist met wie ze Beethovens sonate speelt en daarop door haar jaloerse echtgenoot wordt omgebracht. Passie en hoop, maar vooral wanhoop, emotionele uitbarstingen en heftige conflicten vinden in dit compacte kwartet (dat ca. 17 minuten duurt) een ongekend intense en geladen uitdrukking. Uiteindelijk mondt alle turbulentie uit in een stil, berustend slot. Alleen het eerste deel (Adagio, alle volgende drie delen verlopen ‘con moto’) kent een soort doorwerking in de zin van de sonatevorm; voor de rest bepalen de genoemde frequente contrastwerkingen het verloop van het werk.

 Johannes Brahms – Strijkkwartet no. 3 op. 67 in Bes groot (1875)

Als een van de grote meesters van de Duitse romantiek zet Johannes (1833–1897) de lijn voort van Beethoven, Schubert en Schumann, maar laat hij zich ook inspireren door onder meer de Weense klassieken (Haydn, Mozart). Zijn muziek is niet alleen een evenwichtige synthese van de voorafgaande grote traditie, maar vertoont ook vernieuwende trekken. Brahms’ grote kracht ligt in de ontwikkeling van zijn muzikale invallen. Uit een kernmotief van soms slechts enkele noten, dat hij op alle mogelijke manieren varieert en verder ontwikkelt, bouwt hij een dicht stemmenweefsel waarin motieven, frasen en akkoorden een nauwe samenhang vertonen. Samen genereren die elementen een steeds afwisselende, vrije, ononderbroken melodische en harmonische beweging, die de luisteraar van begin tot einde gevangenhoudt.

Kamermuziek neemt in het werk van Johannes Brahms een centrale plaats in. Hij schreef – naast werken voor piano solo – voor ensembles van twee tot zes instrumentalisten in uiteenlopende bezettingen: drie viool-, twee cello- en twee klarinetsonates, drie pianotrio’s, drie pianokwartetten en een pianokwintet, drie strijkkwartetten, twee strijkkwintetten en twee strijksextetten, een trio voor piano, viool en hoorn, een klarinettrio en een klarinetkwintet. Talloze jeugdwerken heeft de zelfkritische componist aan de vernietiging prijsgegeven, wel met het positieve gevolg dat de kamermuziek die hij naliet onveranderlijk van zeer hoge kwaliteit is. Al die composities vertonen gemeenschappelijke kenmerken die samen de onmiddellijk herkenbare „Brahms-stijl“ uitmaken: karakteristieke harmonische constellaties (samenklanken) en een voorkeur voor lage liggingen en markante ritmische frasen. Van bijzondere klankeffecten en het uitbuiten van de specifieke technische mogelijkheden van individuele instrumenten ziet Brahms af. Zijn zettingen zijn streng en helder, en staan in de traditie van de klassieke vocale polyfonie, van Bach en van de late Beethoven.

Brahms had een bijzondere relatie met het strijkkwartet. Zijn weg naar dit genre was lang en lag bezaaid met schetsen van al dan niet voltooide composities, die hij uiteindelijk allemaal afkeurde… Naar eigen zeggen had hij al meer dan twintig strijkkwartetten geschreven voordat hij er in 1873 toe kon komen de twee kwartetten die als op. 51 werden gebundeld aan de openbaarheid prijs te geven. Twee jaar later schreef hij zijn derde en laatste Strijkkwartet (in Bes groot, op. 67), een van de vrolijkste stukken van de doorgaans ernstige Brahms: Mozart en vooral Haydn waren hier meer zijn voorbeeld dan Beethoven. In het energiek-springerige openingsthema van het Vivace, in 6/8ste maat, laat de componist zich al meteen van zijn humoristische kant zien; al na een paar maten zetten de eerste viool en de cello hier een 3/4-accentuering tegenover. De muziek raakt in een snelle beweging, die wordt onderbroken door het kalme en eveneens zonnig gehumeurde tweede thema in 2/4 maat. Een derde melodische bouwsteen is een lyrisch thema, dat pas aan begin van de doorwerking wordt geïntroduceerd. Het Andante (in F groot) is een in schitterende melodieën zwelgende idylle; het 24 maten lange hoofdthema doet met zijn klare lijnen onmiskenbaar aan Mendelssohn denken. Een rhapsodisch-vrij gehouden middendeel in d klein zorgt voor de nodige afwisseling. In het derde deel (Agitato, in d klein), een aaneenschakeling van levendige dansritmen, neemt, ongebruikelijk, de altviool vrijwel steeds de leiding; de andere instrumenten vallen slechts sporadisch uit hun bescheiden rol (con sordino) van ritmische en harmonische begeleiders. Het middendeel (trio) noemde Brahms het “verliefdste, tederste” wat hij ooit had geschreven. In de finale (Poco allegretto) wordt een volksliedachtig thema in uiteenlopende toonsoorten achtmaal gevarieerd; in de achtste duikt het openingsthema uit het Vivace weer op. Tijdelijk overheerst dit thema het eigenlijke variatie-thema, maar aan het slot zorgen ze gezamenlijk voor een vrolijk afscheid.

Musici

Amarins Wierdsma – viool
Timothy Crawford – viool
Christoph Slenczka – altviool
Yoanna Prodanova – cello

Het Barbican Quartet werd in 2014 opgericht op de Guildhall School of Music and Drama in London en bestaat uit de violisten Amarins Wiersma en Tim Crawford, de altviolist Christoph Slenczka en de celliste Yoanna Prodanova. Winnaars van de Joseph Joachim International Music Competition en de 2018 Saint Martin in the Fields Chamber Music Competition, maakte het kwartet zijn debuut in de Wigmore Hall dankzij the Maisie Lewis Foundation Award. Zij treden regelmatig op in het Verenigd Koninkrijk en Europa in concertzalen als de Barbican hall, de Milton Court Hall, de Casa de Musica Porto, St James’s Piccadilly en het Ashmolean Museum. Zij namen deel aan festivals als de IMS Prussia Cove en het Harmos Festival in Portugal. In 2017 waren zij artists in residence in Aldeburgh. Het kwartet studeert thans bij Günter Pichles aan de Reina Sofia String Quartet Academy en zij werken regelmatig met leden van het Belcea Quartet dankzij de Belcea Quartet Charitable Trust.

Amarins Wierdsma – viool

Amarins komt uit een muzikale familie en studeerde bij Coosje Wijzenbeek aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en bij Vera Beths aan het Conservatorium van Amsterdam. In 2013 vervolgde zij haar studie bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama waar zij haar master- en uitvoerendmusicusdiploma met onderscheiding behaalde. Tijdens haar studie behaalde Amarins al talrijke prijzen, zoals bij voorbeeld de 3e prijs bij het Nationaal Vioolconcours Oskar Back in 2013 en daarvoor al de 1e prijs bij het Davina van Wely Vioolconcours in 2005 en Iordens Viooldagen in 2004. In 2007 was zij Jong Muziektalent van het Jaar bij de Stichting Jong Muziektalent. Recent was zij samen met haar duopartner Edward Liddall (piano) finalist in de 2019 Parkhouse Award in de Wigmore Hall. Zij heeft op verschillende belangrijke podia recitals verzorgd, onder meer in het Concertgebouw en in the Slovak Philharmonic Hall Bratislava.

Tim Crawford – viool

Beide ouders van Tim zijn violist, dus begon Tim zijn muzikale training heel jong. Vanaf 4 jaar bezocht hij de Royal Academy of Music in Londen. Hij behaalde zijn bachelordiploma met Alexander Janiczek aan de Guildhall School of Music met de hoogste onderscheiding. Hij zong ook in het Temple Choir in Londen. Tim neemt regelmatig deel aan de beste kamermuziekfestivals in Europa zoals Musikdorf Ernen, IMS Prussia Cove, het Lewes Chamber Festival en Wye Valley Chamber Festival. Hij heeft het voorrecht om regelmatig te spelen met Arcangelo, een prominent ensemble dat bestaat uit musici die excelleren in zowel historische als moderne instrumenten en die onder leiding staan van de oprichter en artistiek directeur en dirigent Jonathan Cohen.

Christoph Slenczka – altviool

Christoph begon op 5-jarige leeftijd met viool spelen. Hij was leerling van de Bayerische Frühförderklasse en was daar tot zijn 18e jaar leerling van Conrad von der Goltz. Toen verruilde hij de viool voor de altviool en begon een bachelorstudie aan het Mozarteum in Salzburg in de klas van Thomas Rieble die hij met onderscheiding afsloot. Zijn masterstudie rondde hij in 2016 bij David Takeno af aan de Guildhall School in Londen af, opnieuw met onderscheiding. Hij nam deel aan vele masterclasses, bij Hariolf Schlichtig, Ivry Gitlis, Barbara Westphal en anderen. Sinds de zomer van 2018 studeert Christoph dankzij een aan hem toegekende beurs aan de Kammerakademie Potsdam.

Johanna Prodanova – cello

Johanna is van Bulgaarse afkomst maar verhuisde als tiener naar Canada waar zij ging studeren aan het Conservatoire de Montréal bij Denis Brott en zij het Diplôme d’études Supérieures met de hoogste onderscheiding verwierf.  Zij behaalde vervolgens het bachelor- en masterdiploma aan de Guildhall School of Music and Drama bij Louise Hopkins, Richard Lester and Rebecca Gilliver en zette daarna haar studie voort aan de Royal Academy of Music bij Hannah Roberts. Yoanna ontving de 2016 Philip and Dorothy Green Award voor jonge artiesten alsook de Sylva Gelber Award in twee achtereenvolgende jaren.  Zij speelde solo met het Amati Orchestra, Banbury Symphony and het Surrey Philharmonic Orchestra, als ook met het Sinfonia de Launaudière (Canada) en het Dobrich Chamber Orchestra (Bugarije). Zij heeft een ruime internationale ervaring in optreden.

Een voorproefje….